-
-
WIE ZIJN WIJ?
Een klimaatplatform De Klimaatcoalitie is apolitiek en pluralistisch en bestaat sinds drie jaar. Deze vzw werd opgericht in juni 2008 en bestaat uit ongeveer zeventig Belgische (tweetalige, Franstalige en Nederlandstalige) verenigingen die eigenlijk behoren tot drie grote families:
milieuorganisaties: WWF België, Greenpeace België, Bond Beter Leefmilieu, Inter-Environnement Wallonie, Friends of the Earth België, Natuurpunt, Natagora, Nature et Progrès, ...
Noord-Zuidbewegingen: 11.11.11 Koepel van de Vlaamse Noord- Zuidbeweging, CNCD-11.11.11, Oxfam Solidariteit, ...
sociale en sociaal-culturele verenigingen: ACV-CSC, ABVV-FGTB, Gezinsbond, Ligue des familles, Chiro, Scouts, Climat et Justice sociale, ...
Zo een diverse verzameling actoren uit de civiele samenleving is heel uitzonderlijk in de Belgische context.
Als gezamenlijk platform staan al deze organisaties achter dezelfde eis in verband met de klimaatverandering: zij willen dat de beleidsmakers krachtige maatregelen nemen om klimaatrampen te vermijden die niet alleen een bedreiging vormt voor het leefmilieu, maar ook voor de sociale cohesie en de meest kwetsbare mensen in het Zuiden en in het Noorden. In 2008 stelden zij een gemeenschappelijk memorandum op, waar alle organisaties achterstaan.
De acties van het netwerk zijn bedoeld om een breed publiek te sensibiliseren en te mobiliseren voor de uitdagingen van de klimaatverandering. Zo bracht de Klimaatcoalitie in de laatste jaren duizenden burgers op de been voor het klimaat.
Verder organiseert de coalitie activiteiten voor haar eigen leden, om hun de mogelijkheid te bieden hun kennis over de klimaatverandering te verdiepen en om hen aan te zetten tot een CO2-zuiniger gedrag. -
OPROEP VAN DE KLIMAATCOALITIE
De Klimaatcoalitie, die een brede waaier van organisaties uit het middenveld groepeert, wil dat de Belgische en Europese politici hun verantwoordelijkheid nemen en:
Het goede voorbeeld geven en maatregelen treffen in de strijd tegen de klimaatverandering
Er een rechtvaardige transitie komt naar een koolstofarme, duurzame en groene economie met degelijke jobs en sociale rechten;
De Europese doelstelling inzake CO2-reductie verder doen gaan dan een daling van 20% tegen 2020;
Er een bindend en ambitieus internationaal akkoord komt om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.
-
MEMORANDUM
Om de stijging van de globale temperatuur onder de twee graden celsius te houden (ten opzichte van het pre-industriële tijdperk), moet een drastische reductie van de uitstoot van de broeikasgassen (BKG) gerealiseerd worden (1). De belangrijkste inspanningen moeten plaatsvinden in de geïndustrialiseerde landen, omwille van hun grote verantwoordelijkheid voor de huidige BKG concentraties in de atmosfeer. Bovendien ligt het niveau van uitstoot per inwoner in deze landen veel hoger en hebben ze meer middelen om hun uitstoot te verminderen. Volgens de bevindingen van het IPCC (2), zullen de geïndustrialiseerde landen een reductie van minstens 30% BKG tegen 2020 moeten realiseren (in verhouding tot het niveau van 1990).
Mitigatie
De Europese Unie moet het Klimaat en Energiepakket dus baseren op een reductie van 30% van zijn broeikasgassen tussen nu en 2020 (in vergelijking met 1990). Deze inspanning van de Unie moet verdeeld worden over de verschillende lidstaten en de verschillende sectoren. België, dat inspanningen moet leveren op Europees vlak, moet niet alleen de Europese positie beïnvloeden maar ook zelf een samenhangend en ambitieus klimaatbeleid realiseren om zodoende een sterk draagvlak voor duurzame investeringen te garanderen. Naar het voorbeeld van de andere Europese landen moet België haar verantwoordelijkheid als geïndustrialiseerd land opnemen en doelstellingen vastleggen op middellange maar ook op korte termijn gebaseerd op de bevindingen van het IPCC. De doelstellingen voor 2020 laten toe een duidelijk signaal te geven aan de verschillende stakeholders, terwijl de tussentijdse jaarlijkse doelstellingen toelaten snel te detecteren of er bijgestuurd moet worden met bijkomend beleid.
Om deze redenen vraagt de Klimaatcoalitie dat het Belgische klimaatbeleid een vooropgestelde indicatieve doelstelling van een jaarlijkse reductie van minstens 3% van haar eigen uitstoot van BKG vastlegt. Om dit doel te bereiken, vraagt de Klimaatcoalitie dat België zich engageert tot het nemen van ambitieuze standpunten in de internationale onderhandelingen. Bovendien moeten de Belgische overheden een reeks strikte doelstellingen vastleggen op korte en middellange termijn, in de wetenschap dat ons land radicaal de manier van energie te produceren en te consumeren zal moeten veranderen.
België moet haar volle gewicht in de schaal leggen tijdens Europese discussies zodat het Energie en Klimaatpakket (3) strookt met de interne doelstelling van 30% reductie van broeikasgassen van de Europese Unie tot 2020 (in vergelijking met 1990). België moet eveneens druk uitoefenen op de Europese Unie om dezelfde doelstellingen te laten onderschrijven door alle geïndustrialiseerde landen tijdens de internationale onderhandelingen te Poznan in 2008 en in Kopenhagen in 2009.
België moet op een vastberaden manier de verbintenis aangaan om een economisch haalbare doelstelling te verwezenlijken voor het gebruik van hernieuwbare energie in 2020, rekening houdend met de stijging van de brandstofkost, de technologische vooruitgang, en de schaalvoordelen van de bestaande duurzame technologieën. Om deze voornemens te realiseren moet de Belgische regering zich engageren om het gebruik van hernieuwbare energie in de Belgische energieproductie jaarlijks met ten minste 18% op te trekken (4)
België moet zich scharen achter het doel om de energie-efficiëntie jaarlijks met ten minste 1,5% te verbeteren, in overeenstemming met het Europees actieplan (5), met als inzet 20% extra energie-efficiëntie tussen nu en 2020. Teneinde deze doelstellingen te concretiseren, pleit de Klimaatcoalitie ervoor dat de regering dringend dwingende maatregelen neemt in de industrie, het transport, de productie- en consumptiewijzen (van energie, voeding, enz.) en de gebouwensector.
Noord-Zuid
Op dit moment is een drastische reductie van de CO2-uitstoot in het Noorden de beste manier om solidair te zijn met de landen in het Zuiden. Maar de maatregelen die tot nu toe genomen zijn, zijn onvoldoende, en bovenop de strijd tegen de klimaatverandering zullen adaptatiemaatregelen snel noodzakelijk blijken. Daarenboven bedreigt de klimaatverandering de ontwikkeling: het Rapport over de menselijke ontwikkeling 2007/2008 van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) toont aan dat de Milleniumdoelstellingen wellicht niet zullen gehaald worden, met name als gevolg van belangrijke consequenties van de klimaatverandering. Noodhulp en heropbouw, geneesmiddelen om epidemieën te bestrijden, opvang van klimaatvluchtelingen, de aanpassing van ontwikkelingsprojecten, zullen meer en meer nodig zijn. Dat is waarom de 0,7% (van hun BNP) die de OESO-landen (vruchteloos) hebben beloofd om aan ontwikkelingshulp te besteden, ruimschoots onvoldoende zijn.
Algemene doelstelling : België moet haar bijdrage aan de realisatie van een duurzaam ontwikkelingsbeleid (koolstofarm) in de landen van het Zuiden versterken tot meer dan de 0,7% overheidshulp waartoe het zich al geëngageerd heeft.
Parallel met deze politiek van adaptatie aan de klimaatverandering, moeten de landen in het Zuiden hun ontwikkeling kunnen oriënteren naar een meer duurzame manier, en « low carbon »-economie (in de eerste plaats gebaseerd op hernieuwbare energie), zonder schade te berokkenen aan de lokale gemeenschappen.
Dat is waarom het nodig is om meer financiële middelen uit te trekken dan nu gebeurt voor ontwikkelingssamenwerking. Gezien de gigantische verantwoordelijkheid van de landen in het Noorden voor de klimaatverandering, is het hun plicht om de noodzakelijke fondsen te voorzien aan het Zuiden, gebaseerd op het principe "de vervuiler betaalt", en gebaseerd op de capaciteit die elk van de landen heeft om de adaptatie te financieren. (RCI index (6))
Het systeem van het Clean Development Mechanism moet herbekeken worden zodanig dat het een instrument van ontwikkeling wordt. Hiervoor is het nodig de bestaande werking ervan te herzien zodat bijkomende en blijvende CO2 reducties gerealiseerd worden. Bovendien moet meer aandacht besteed worden aan de geografische spreiding van de CDM-projecten en aan hun bijdrage aan duurzame ontwikkeling in het gastland..
Tot slot is het belangrijk dat naast deze verplichtingen qua financiering, de politiek op het vlak van ontwikkelingssamenwerking, buitenlandse handel, landbouw, voedsel, energie en klimaat, coherent zijn, en garanderen dat alle actoren erbij betrokken worden(met name het middenveld, zowel op het vlak van de analyse als op het vlak van de implementatie).
We eisen daarom een duurzaam beheer van bossen dat de lokale bevolking respecteert. Het gebruik van biomassa als energiebron mag niet ten koste gaan van de voedselproductie, met het behoud van de biodiversiteit en de beboste gebieden, en ten voordele vande lokale bevolking.
Sociale rechtvaardigheid
Het klimaatbeleid moet uitgaan van de langetermijn doelstelling dat iedere burger een gelijk recht heeft op het gebruik van de atmosfeer. Geen enkele lange termijn strategie voor het klimaatprobleem kan deze ethische reflectie negeren.
Sociale rechtvaardigheid in het klimaatbeleid betekent dat iedere bewoner van de aarde het recht heeft op een kwaliteitsvolle huisvesting, waar diensten zoals verwarming, koeling, verlichting en een minimale elektriciteitslevering gegarandeerd zijn; dat iedereen het recht heeft op basismobiliteit zodat hij kan deelnemen aan het sociaal leven, en dat iedereen het recht heeft om een gezonde en evenwichtige voeding.
De uitdaging bestaat erin om aan deze basisrechten tegemoet te komen, zonder de draagkracht van de aarde te overschrijden. Het positieve nieuws is dat de technologie hiervoor bestaat. De vele toepassingen van hernieuwbare energie en rationeel energiegebruik moeten beschikbaar gemaakt worden voor iedereen. Via een herwaardering van de familiale landbouw in Noord een Zuid kan gezonde voeding beschikbaar worden voor iedereen.
Toch stellen we vast dat de laagste inkomens sterker worden getroffen door de stijgende energieprijzen. Een groter aandeel van hun beperkt budget gaat immers naar de energierekening, terwijl ze niet over een kwaliteitsvolle huisvesting beschikken en de middelen niet hebben om maatregelen van rationeel energiegebruik te financieren. Bestaande maatregelen zoals premies en fiscale aftrekbaarheid komen deze gezinnen te weinig ten goede. Steeds meer gezinnen leven in energiearmoede en hebben moeite om hun energierekening tijdig te betalen. Deze gezinnen hebben geen boodschap aan de ondoorzichtige liberalisering van de energiemarkt.
Het klimaatbeleid houdt kansen in om het probleem van energie armoede grondig aan te pakken. Via een grootschalig energierenovatieprogramma moet de kwaliteit van de huisvestingen drastisch verhoogd worden. Gezinnen met een laag inkomen moeten beroep kunnen doen op een energiedienstenbedrijf, dat hen onder de vorm van een loket helpt bij zowel de sociale als de energiebesparende maatregelen. Dit bedrijf zorgt specifiek voor de lage inkomensgroepen voor de volgende dienstverleningen:
gratis energie-audit van de woning
gratis uitvoering van eenvoudige energiebesparende maatregelen (in samenwerking met sociale economie) zoals het vervangen van gloeilampen door spaarlampen, aanbrengen van buisisolatie of tochtstrips…
een premie, renteloze lening en/of derde betaler systeem voor energiebesparende investeringen, waarbij ook de eigenaar van huurwoning geresponsabileerd wordt
levering van elektriciteit, aardgas (of stookolie) aan sociale tarieven
Een progressieve tarifering dient ervoor te zorgen dat een basispakket aan elektriciteit en gas (of stookolie), afhankelijk van de gezinssamenstelling, betaalbaar blijft voor iedereen. Om gezinnen aan te zetten energiebesparende maatregelen te nemen, dient een hoger verbruik zwaarder aangerekend te worden. De bestaande subsidieregeling dient vereenvoudigd en hervormd te worden, zodat gezinnen via een directe premie geholpen worden op het moment dat zij de energiebesparende investering doen. De prioriteit moet gaan naar de meest efficiënte maatregelen (kosten-batenstudie op vlak van CO2-besparing) zoals het plaatsten van isolatie, het vervangen van enkel glas door superisolerend glas of het vervangen van weinig efficiënte verwarmingssystemen door een installatie met hoog rendement.
Het klimaatbeleid houdt kansen en bedreigingen in voor de werkgelegenheid in België. Het klimaatbeleid zal onvermijdelijk gepaard gaan met verschuivingen in werkgelegenheid. De grootste verschuivingen zullen zich echter voordoen binnen sectoren. Daarom moet het middenveld en meer in het bijzonder de vakbonden, pro- actief betrokken worden in dit herstructureringsproces. Nu al stellen we een gebrek aan goed opgeleide werknemers vast voor de groeisectoren zoals energierenovatie in de bouwsector of de sector van de hernieuwbare energie. Vorming en opleiding, ook op de werkvloer, moet hier tijdig op inspelen. Werknemers moeten kunnen rekenen op een robuust systeem van sociale bescherming, voor als hun job in gevaar zou kunnen komen t.g.v. het klimaatbeleid. Dan pas kunnen de bedreigingen omgezet worden in nieuwe kansen. In dat geval kan er gesproken worden van een rechtvaardige transitie. Programma's van 'rechtvaardige transitie" dienen via sociale dialoog en tripartiet overleg opgesteld te worden. Ook op het niveau van de onderneming kunnen vakbonden collectieve overeenkomsten sluiten ter vergroening van de werkplaats.
De ontwikkeling van een dergelijke politiek vergt grote financiële investeringen. Bovenop het respecteren van de hieronder geschetste principes (wat betreft de efficiënte toekenning van overheidsgeld), bestaan er twee realistische pistes om te beschikken over de noodzakelijke financiële middelen voor de ontwikkeling van een doeltreffende (wat betreft een reductie van de broeikasgassen) en sociaal rechtvaardige politiek.
De klimaatcoalitie pleit voor het opzetten van een reglementering die moet toelaten om de ongerechtvaardigde winsten op te eisen waarvan Electrabel/Suez en de petroleumproducenten genieten (winsten die verband houden met de al afbetaalde kern- en steenkoolcentrales, de ongerechtvaardigde nucleaire rent, gratis emissierechten, …). De som die daarbij jaarlijks gerecupereerd wordt, moet gebruikt worden voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, maatregelen voor energie-efficiëntie en sociale maatregelen in het energiebeleid. Het bedrag dat Suez/Electrabel op die manier moet terugstorten, loopt op tot minstens 1 miljard euro per jaar. De 250 miljoen waarvan er in 2008 sprake was, is dus absoluut onvoldoende. Langs de andere kant mag deze recuperatie in geen enkel geval verbonden worden met de wet op de kernuitstap. Deze is immers noodzakelijk om de elektriciteitsmarkt open te trekken voor nieuwe actoren en om een gunstiger investeringsklimaat te creëren voor nieuwe duurzame productiecapaciteit in ons land.
De klimaatcoalitie eist dat de CO2 emissierechten geveild worden volgens het principe 'de vervuiler betaalt', met indien nodig, begeleidende maatregelen ter ondersteuning van het transformatieproces in de industrie. De veiling van emissierechten zal een opbrengst opleveren die voor een deel kan gebruikt worden voor de financiering van structurele interne maatregelen voor de reductie van de uitstoot aan broeikasgassen (en prioritair ten voordele van minder begoede gezinnen en van de omscholing van arbeiders), en voor een ander deel zou kunnen gebruikt worden voor een steunfonds voor de zich ontwikkelende landen.
1. Het wetenschappelijke klimaatpanel van de VN (het IPCC)becijferde dat de globale broeikasgasuitstoot moet beperkt worden met 50 tot 85% tussen nu en 2050 in verhouding tot het niveau van 2000 (SPM, november 2007), om in de temperatuurschaal tussen +2.0 tot +2.4°C te blijven.
2. In haar vierde evalutierapport stelt het IPCC dat, om de temperatuursstijging tot +2.0 tot +2.4°C te houden, en rekening houdend met het principe van gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, de geïndustrialiseerde landen hun uitstoot met 25 tot 40% moeten terugdringen tussen nu en 2020, en met 80 en 95% tussen nu en 2050 (in verhouding tot het niveau in 1990).
3. Dit omvat oa het herbekijken van de ETS-richtlijn [COM(2008) 16 final], de richtlijnen over de verdeling van de inspanningen [COM(2008) 17 final], over hernieuwbare energie [COM(2008) 19 final], en over de toekomstige regelgeving voor personenwagens [COM(2007) 856 final].
4. Dit om tegen 2020 het mimimumdoel te bereiken waar de sectorfederaties Edora/Ode voor pleiten, met name 15% hernieuwbare energie tegen 2020. Dat doel loopt gelijk met de analyse van het Federaal Planbureau in zijn rapport « Klimaatpolitiek na 2012 » (juli 2006).
5. COM(2006)545 final, lié à la directive européenne 2006/32/CE
6. Responsibility Capability Index
-
LID WORDEN
De Klimaatcoalitie vraagt dat haar leden voldoen aan de volgende voorwaarden:
In het kader van hun activiteiten bijzondere aandacht besteden aan het thema van het klimaat en aan de ecologische, Noord-Zuid- of sociale dimensie ervan.
Hun personeel, vrijwilligers en leden sensibiliseren voor de problematiek van de klimaatverandering en voor de dringende noodzaak om tot actie over te gaan.
De oproepen tot mobilisatie van de Klimaatcoalitie ondersteunendoor ze bekend te maken bij de eigen achterban en indien mogelijk meehelpen bij de uitvoering van acties die de coalitie organiseert.
Bij het interne beheer maatregelen volgen om de CO2-uitstoot van de eigen organisatie te verminderen.
De initiatieven van andere leden en/of partners van de coalitie bekendmaken.
Indien u lid wilt worden als organisatie en meent dat u aan deze verwachtingen voldoet, stuur dan een e-mail aan sofie.sas@klimaatcoalitie.be.
Uw kandidatuur wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Raad van Bestuur. Na instemming van onze bestuurders wordt u verzocht een jaarlijkse bijdrage te betalen. De hoogte daarvan is afhankelijk van de omvang van uw organisatie.
-
